J.E. de Jong

Waarom beschrijven Derrida, Hegel en Heidegger de essentie van hun werk als beweging, weg of ontwikkeling in plaats van de erin vervatte claims, resultaten of conclusies? Wat betekent het om zo'n discours te bekritiseren, en hoe moet de eigen kritische kracht ervan begrepen worden?

Vanuit een interpretatie van Derrida's De la grammatologie geeft de dissertatie een andere kijk op de relatie van deconstructie tot empirisme, scepticisme en kritiek. De 'beweging' van Derrida’s teksten is wat hun kritische status uittilt boven het niveau van polemiek en weerlegging, maar impliceert ook een “structurele kwetsbaarheid”. Nieuwe interpretaties van Hegel en Heidegger richten zich op Hegels inzicht dat wat de reflectie ontstijgt juist de “eigen beweging” van de reflectie is, en - via een uitgebreide lectuur van Heideggers Beiträge zur Philosophie (Vom Ereignis) – van Heidegers poging om tot een vorm van “zeggen” te geraken die zélf is “wat gezegd moet worden”. De confrontatie van deze dre denkers brengt de reflexiviteit naar voren - de onlosmakelijke gebondenheid aan de tegenstellingsstructuur die ze trachten te overstijgen - die maakt dat zij allen op hun eigen manier het hart van hun denken in een ontwikkeling, beweging of weg zoeken, in plaats van in de erin vervatte resultaten of conclusies. Dit maakt het mogelijk om Derrida's expliciete oppositie tegen Hegel en Heidegger te begrijpen als slechts één van de vele strategische middelen die hij benut wanneer hij hen leest. Deze dissertatie toont de reflexieve complicatie die een dergelijke ‘indirecte’ benadering noodzakelijk maakt, en de affirmatieve verantwoordelijkheid die haar motiveert.

The Movement of Thinking is een onderzoek naar de noodzaak van een ‘indirecte’ benadering in de filosofie, en vaagt naar de kritische kracht van een discours dat “de grond ontwijkt waarop het zou kunnen staan”.


Downloaden: